Foto's Schoolstaatvoetbaltoernooi

Hoe rijk zijn de scholen?

Een verantwoording van de gespaarde schoolgelden. 

Woensdag 2 april jl. publiceerde de AOb cijfers over de vermogenspositie van schoolbesturen voor Primair Onderwijs in Nederland. Al eerder in maart was een zeer kort nieuwsbericht van de AOb verschenen, waarin gewag werd gemaakt van de (vermeende?) rijkdom van het Primair Onderwijs. Op het eerste gezicht lijkt er inderdaad sprake van veel ongebruikt geld. Maar daarbij vallen wel enkele kanttekeningen te maken, die ook al door OCW zijn gemaakt toen de cijfers over 2006 werden vrijgegeven. Want het gaat hier over de jaarcijfers van 2006, het eerste jaar waarin de scholen voor Primair Onderwijs een jaarverslag moesten indienen. En daar zit een van de problemen. De cijfers zijn niet vergeleken (en door het ontbreken van gegevens over eerdere jaren ook niet te vergelijken) met de jaren daarvoor.

De Algemene Vereniging Schoolleiders (AVS) wil voorop stellen dat het goed is dat ook de inzet van de publieke middelen in het Primair Onderwijs een onderwerp is waarover gesproken wordt. De scholen voor PO vervullen een publieke taak en daarvoor worden publieke middelen beschikbaar gesteld. Dan is het vanzelfsprekend dat deze scholen ook verantwoording afleggen over de bereikte resultaten en de inzet van die publieke middelen. Het is dus niet raar als de samenleving (in dit geval verwoord door de AOb) hierover vragen stelt. Waar het om draait is dat PO-scholen die vragen op een juiste wijze beantwoorden. Deze scholen hebben de verantwoordelijkheid op zich genomen het onderwijs voor 4 tot 12-jarigen te verzorgen en bij het verantwoorden van die publieke taak is het zaak dat de samenhang tussen geld en resultaten zichtbaar blijft. Iedereen die actief is in het onderwijs (als bestuurder, directeur of leerkracht) kan dat op zijn of haar eigen plek doen. Daarmee komt de horizontale verantwoording ten volle tot ontplooiing.

Terugkomend op de schoolreserves. Wat opvalt bij de door de AOb gepresenteerde cijfers is dat ze niet te vergelijken zijn. Als er wordt gesproken over Eigen Vermogen dan omvat dit zowel de publieke als private reserves, maar ook bestemmingsreserves.  Niet duidelijk is of in de presentatie door de AOb ook bijvoorbeeld een voorziening voor gebouwonderhoud aan het Eigen Vermogen wordt toegerekend. En reserves omvatten zowel geld als goederen (de zogenaamde Vaste Activa, zoals OLP, Inventaris en Apparatuur, zoals ICT). Van de genoemde 2,4 miljard euro aan reserves in het PO kan gesteld worden dat ca 1/3 deel, dus ca 800 miljoen euro geen geld maar goederen zijn. Een tweede opvallende zaak is dat voorbij gegaan wordt aan de in 2006 doorgevoerde stelselwijziging. Terwijl voorheen scholen voor de vervanging van hun spullen moesten sparen (daarvoor werd jaarlijks geld in de diverse voorzieningen gestort), moesten scholen met ingang van 2006 gaan afschrijven. Dat had tot gevolg dat het gespaarde geld (ook ca. 800 miljoen euro) in een keer vrijviel en aan de reserve werd toegevoegd. Die vrijvallende middelen hebben dus (nog) geen andere bestemming dan sparen om straks weer nieuwe spullen te kunnen kopen. Daarmee blijft er dus ca 800 miljoen euro aan zogenaamd vrij vermogen over. Gemiddeld per school ca. € 100.000. En dat is nauwelijks twee arbeidsplaatsen gedurende een jaar aan buffer. Bovendien moeten scholen ook reserveren voor BAPO, ambtsjubilea e.d. en ook dat moet uit die gemiddelde ton per school komen.

Daar komt nog bij, en dat erkent ook de AOb, dat kleinere besturen (eenpitters) meer reserves hebben dan grotere besturen. En dat is ook logisch, want kleinere besturen lopen meer risico’s. Een foutje in de formatie (of verkeerde leerlingprognose) betekent bij het niet tijdig in het RDDF plaatsen, dat er sprake is van boventalligheid, waarvoor de loonkosten nog een jaar moeten worden doorbetaald. Een groot schoolbestuur kan zo iemand makkelijker herplaatsen op een andere school.

En tenslotte moeten veel schoolbesturen voor Primair Onderwijs nog wennen aan de lumpsum. Waar zitten de risico’s? Schoolbesturen zijn voorzichtig en dat valt ook te prijzen.

De voorlopige conclusie van de AVS is dan ook dat het toe te juichen valt dat er voor het eerst cijfers beschikbaar zijn, dat het ook goed is dat hierover gesproken wordt, maar dat de discussie dan wel over goede gegevens moet gaan en daarvan is op dit moment nog onvoldoende sprake, al was het maar omdat er geen cijfers van vorige jaren ter vergelijking beschikbaar zijn. Blijft staan dat het voor schoolbesturen van belang is, ook in het licht van de nieuwe regels rond de jaarverslaglegging openheid te verschaffen over de hoogte van het vermogen en de bestemming ervan. Kortom, nog een reden om veel aandacht te besteden aan de inhoudelijke toelichting op het jaarverslag.